…………………………………………………………………………………………………………………………
ER LIGT ALTIJD EEN VRAAG ONDER
Ik kan me herinneren dat ik in een kantoor was
waar ik dagelijks op dezelfde stoel ging zitten
om datgene te zijn waarvoor ik was aangenomen.
Om mij heen mensen met ogen in hun hoofd.
Als niemand mij dat op een dag had gezegd
kon ik niet weten waar de koffiemachine stond.
Dan had ik je hand gepakt en was ik gaan lopen
tot aan het gebouw waar we in de toekomst
aan elkaar konden zitten zonder zondig te zijn.
Als dingen anders lopen ga jij vragen stellen
alsof ik weet wat ik doe als het niets betekent.
Wat hier verboden is kan ik niet laten kloppen.
…………………………………………………………………………………………………………………………
PLATTELANDSMAGNETEN
De knikker uit je mond rolt valt op de grond zodra de lama in de luwte van het huis het erf bespuugt en jij schrikt. Ongeschikt voor drama klikt je oma kaarten aan de kast waar koel de flessen staan die uitgewassen naast elkaar nooit de dienst uit zullen maken maar dat weet zij niet.
Niet het haken van de sprieten aan het pasgemaaide gras zet zoden aan de dijk maar de droog gevallen wallen doen de schapen goed. Ze bevallen in een tempo dat doet denken aan een gaap wie was er schaap wie zocht de tiet hoe heette Riet. Je ziet de griet een zijsprong maken.
“Ovulatie! Ovulatie!” Rent ze gillend langs je heen je rolt je mouwen smeert de stroop van mond tot kont achter opgetaste balen. De grond onder je voeten lijkt wat nat het is de plek waar oma sprak in vijftien vreemde talen: “Speeksel is de sleutel tot verzet op lama’s rust een vloek.”
…………………………………………………………………………………………………………………………
Twee man. Twee man beetje donker nog.
…………Twee mannen om een muurtje
te metselen.
De ene doet het werk en de andere doet alsof het werkt.
De een zoet zijn koffie, de ander dwingt de buitenlucht
tot wolkformaties en bedient het licht.
’s Nachts kan ik niet slapen en overdag moet je schildpadden
kunnen voeren en zwemmen voor een droombaan.
’s Nachts droom ik van muurtjes en metselaars en slaap ik niet.
Overdag wens ik een droombaas met roze oren en blauwe ogen.
Ik lach naar het meisje met de blauwe ogen waarin we verdrinken.
Ik lach naar het meisje waarin ik verdrink, met scherpe tanden
bijt ze stucwerk van de muren. Slijtvast haar hagelgebitje.
Dat zijn de beste. De slijtvaste hapgrage meisjes met roze oren
en blauwe ogen liggen goed. De mooisten hebben lang haar
om in te slapen
soms geven ze licht
dat denk ik dan en dat vind ik zo mooi!