Een vrouw met twee helften in haar hoofd
bedient haar lichaam en draagt dezelfde kleding
als ik. Als ze nu maar niet te vroeg klaarkomt.
Het groen is te groot en het rood van de roos
loopt door tot in de nacht. De blauwe regen
woekert. Het gras valt om. Wiens schuld?
Een vrouw met lust maar zonder kracht scheldt
op elke ochtend zodra het licht wordt. Ooit
speelde ze met gedachten die van mij waren.
Nu hangt er een droeve lucht boven ons huis.
Als je ruiken kon dan deed je het niet. Zij
en ik zijn onverstaanbaar, onuitstaanbaar
bovendien. De vrouw met dezelfde kleren aan
als ik komt om zonder hulp. Dat heet een einde.
Zij en ik haperen. Als we maar op tijd zijn, dan.